Nieuwe hoop

Het is paaszondag, 5 april. De Heer is waarlijk opgestaan. We leven met nieuwe hoop!

Vandaag lezen we Johannes 20:1-18

1Vroeg op de eerste dag van de week, toen het nog donker was, kwam Maria uit Magdala bij het graf. Ze zag dat de steen van de opening van het graf was weggehaald. 2Ze liep snel terug naar Simon Petrus en de andere leerling, van wie Jezus veel hield, en zei: ‘Ze hebben de Heer uit het graf weggehaald en we weten niet waar ze hem nu neergelegd hebben.’ 3Petrus en de andere leerling gingen op weg naar het graf. 4Ze liepen beiden snel, maar de andere leerling rende vooruit, sneller dan Petrus, en kwam als eerste bij het graf. 5Hij boog zich voorover en zag de linnen doeken liggen, maar hij ging niet naar binnen. 6Even later kwam Simon Petrus en hij ging het graf wel in. Ook hij zag de linnen doeken, 7en hij zag dat de doek die Jezus’ gezicht bedekt had niet bij de andere doeken lag, maar apart opgerold op een andere plek. 8Toen ging ook de andere leerling, die het eerst bij het graf gekomen was, het graf in. Hij zag het en geloofde. 9Want ze hadden uit de Schrift nog niet begrepen dat hij uit de dood moest opstaan. 10De leerlingen gingen terug naar huis.

11Maria stond nog bij het graf en huilde. Huilend boog ze zich naar het graf, 12en daar zag ze twee engelen in witte kleren zitten, een bij het hoofdeind en een bij het voeteneind van de plek waar het lichaam van Jezus had gelegen. 13‘Waarom huil je?’ vroegen ze haar. Ze zei: ‘Ze hebben mijn Heer weggehaald en ik weet niet waar ze hem hebben neergelegd.’ 14Na deze woorden keek ze om en zag ze Jezus staan, maar ze wist niet dat het Jezus was. 15‘Waarom huil je?’ vroeg Jezus. ‘Wie zoek je?’ Maria dacht dat het de tuinman was en zei: ‘Als u hem hebt weggehaald, vertel me dan waar u hem hebt neergelegd, dan kan ik hem meenemen.’ 16Jezus zei tegen haar: ‘Maria!’ Ze draaide zich om en zei: ‘Rabboeni!’ (Dat betekent ‘meester’.) 17‘Houd me niet vast,’ zei Jezus. ‘Ik ben nog niet opgestegen naar de Vader. Ga naar mijn broeders en zusters en zeg tegen hen dat ik opstijg naar mijn Vader, die ook jullie Vader is, naar mijn God, die ook jullie God is.’ 18Maria uit Magdala ging naar de leerlingen en zei tegen hen: ‘Ik heb de Heer gezien!’ En ze vertelde alles wat hij tegen haar gezegd had.

Vroeg in de morgen, als het nog donker is, gaat Maria uit Magdala naar het graf. Het is een beeld dat veel mensen herkennen: Pasen begint niet in het volle licht, maar in het donker. Maria komt niet met verwachting, maar met verdriet. Ze denkt dat alles voorbij is.

Maar dan gebeurt er iets onverwachts. Ze ziet Jezus staan, al herkent ze Hem eerst niet. Pas wanneer Hij haar naam noemt, Maria, gaan haar ogen open.

Dit is misschien wel het meest persoonlijke moment van Pasen. De opgestane Jezus kent haar naam. Hij ziet haar verdriet. En in dat ene woord verandert alles.

Zo werkt Pasen ook vandaag. Het begint niet altijd met grote zekerheid of sterke geloofswoorden. Soms begint het met zoeken, met vragen, met tranen. Maar midden daarin spreekt de Hij die de Weg, de Waarheid en het Leven is.

Jezus zegt tegen Maria: “Ga naar mijn broers en zussen en zeg dat ik opga naar mijn Vader, die ook jullie Vader is.”

Dat is het wonder van Pasen. Door Jezus is God niet alleen zijn Vader, maar ook onze Vader. De deur naar het Vaderhuis staat open.

En Maria gaat. Van rouwende zoeker wordt ze de eerste getuige van Pasen:

“Ik heb de Heer gezien.”