Ik had het kunnen zijn

Vandaag is het Goede Vrijdag, 3 april, dag 39 van de veertigdagentijd.

‘Hij die at van mijn brood heeft zich tegen mij gekeerd’, zegt Jezus, tegen zijn leerlingen. De bijbeltekst voor vandaag, Johannes 13:18-30, begint er mee. Even later, in vers 21, zegt Jezus het weer in andere woorden: ‘een van jullie zal mij uitleveren.’ Vers 22 gaat dan verder met: De leerlingen keken elkaar aan en vroegen zich af wie Hij bedoelde. Albert Balk, verbonden aan Kerkpunt, denkt hierover met ons na.

Het is zo’n zinnetje waar je zo overheen leest, maar toch indringend als je erover nadenkt. ‘De leerlingen keken elkaar aan en vroegen zich af wie Hij bedoelde.’ Wie is degene die de Meester verraadt? Dat doet toch niemand?

De wereld zou een stuk overzichtelijker zijn als de ‘goeden’ en de ‘slechten’ onmiddellijk herkenbaar zijn. De farizeeën, die zijn fout. Jezus’ leerlingen moeten misschien nog veel leren, maar ze staan wel aan de goede kant. In onze samenleving lijken er ook steeds diepere kloven te ontstaan tussen goed en fout, horend bij mijn groep, niet horend bij mijn groep.

In Jezus’ lijdensweg wordt alle zwart-wit-denken ondersteboven gegooid. Een van Jezus’ eigen leerlingen verraadt hem, degene voor wie hij een stuk brood in de schotel doopt. Als Jezus dit voorzegt, denkt geen van de leerlingen onmiddellijk: dat zal Judas wel zijn, zo kennen we hem. Hij was gewoon een van de leerlingen, net zo trouw, net zo toegewijd.

Wat bracht Judas tot zijn daad? De Duivel voer in hem, zegt het Johannesevangelie. Dat is hoe de buitenstaander het achteraf ziet. Vermoedelijk was het niet Judas’ eigen ervaring. Judas zal op dat moment oprecht gemeend hebben Jezus te moeten overleveren. Hij was teleurgesteld in Hem, of hij was toch door de bril van de farizeeën naar Jezus gaan kijken, als een gevaar voor het volk.

Ook ik kan met alle goede gedachten, tot moreel slechte daden komen. Ik meen iets echt te moeten doen, maar ik doe er een groot kwaad mee. Dat kan mij overkomen. Er is geen reden om dat uit te sluiten. De Duivel kan in mij varen. God, bewaar mij!

Ik moet denken aan de Joodse denker Hannah Arendt, die de oorlogsmisdadiger Adolf Eichman in de rechtszaal zag bij de Neurenberger processen. Het onthutsende was dat hij zo’n gewone man was. Ze schreef een boek met de titel ‘De banaliteit van het kwaad’. Eichman was gewoon een vader die van zijn kinderen hield. Hij werd kennelijk meegenomen in een verhaal dat hem ongetwijfeld goed in de oren heeft geklonken. Het kwaad is zo dichtbij, zo banaal, zo onderdeel van het gewone leven. Het zit in iedereen, ook in mij.

De leerlingen keken elkaar aan vroegen zich af wie Hij bedoelde. Het was een van hen die de Meester verraadde. Het was ook een van ons. Overigens kreeg Judas naderhand onvoorstelbaar veel berouw. Het was ondragelijk voor hem. Hij smeet het geld de tempel in. De farizeeën lieten hem in de kou staan met zijn schuldgevoel. Ze stonden met de rug naar hem toe. Het gevolg was dat hij een einde maakte aan zijn eigen leven. Deze schuld was niet te dragen.

Zou God zich niet over Judas hebben ontfermd, berouwvolle zondaar als hij was?

Jezus stierf aan het kruis voor de zonden van mensen. De zonden van mensen aan de ene kant van de streep, en aan de andere. Het is een van ons die de Heer verraden heeft. Gelukkig is er vergeving, ook voor mij.