Hoop heeft een naam

Vandaag is het 25 maart en dag 31 van de veertigdagentijd. Dood, rouw, gemis… Woorden schieten tekort, zegt Eline, verbonden aan Lume: je wilt iemands pijn verzachten, maar dat lukt niet met zinnen.

Jezus is aangekomen bij het graf van Lazarus. Hoe gaat Hij om met de dood van Lazarus?

We lezen Johannes 11 vanaf vers 21: Marta zei tegen Jezus: ’Als u hier was geweest, Heer, zou mijn broer niet gestorven zijn. Maar zelfs nu weet ik dat God u alles zal geven wat U vraagt. Jezus zei: ‘Je broer zal uit de dood opstaan.’ ‘Ja,’ zei Marta, ‘Ik weet dat hij bij de opstanding op de laatste dag zal opstaan.’ Maar Jezus zei: ‘Ik ben de opstanding en het leven. Wie in Mij gelooft zal leven, ook wanneer hij sterft.’

Ik ben een gezegend mens. Ik heb niet veel met de dood te maken gehad in mijn leven, zeker niet in nabije kringen. Wel heb ik de afgelopen jaren condoleances en begrafenissen meegemaakt. Soms van tragische en onverwachte situaties, waarbij mijn betrokkenheid er was omdat het ging om familie van iemand met wie ik verbonden ben. In die condoleancerij voelde ik me vaak sprakeloos. Letterlijk: wat zeg je tegen iemand die zo’n groot gemis moet dragen? Woorden schieten tekort. Je wilt iemands pijn verzachten, maar dat lukt niet met zinnen.

In Johannes 11 zien we dat Jezus dit ook niet probeert te doen. Wanneer Hij in Betanië aankomt, blijkt Lazarus al vier dagen begraven te zijn. Marta komt Jezus tegemoet met woorden die tegelijk geloof en pijn bevatten. Ze weet wie Jezus is, maar ze voelt ook wat er ontbreekt. Het wegblijven van Jezus lijkt haar verdriet zelfs te hebben vergroot.

Opvallend is wat Jezus níet zegt. Hij wijst Marta niet terecht. Hij corrigeert haar niet. Hij zegt niet dat ze sterker had moeten geloven of dat ze het anders had moeten zien. Het verdriet mag er zijn. Marta’s woorden klinken misschien als een verwijt, maar Jezus hoort wat eronder ligt: gemis, teleurstelling, verlangen.

Wanneer Jezus zegt dat haar broer zal opstaan, reageert Marta vanuit wat ze weet. Ja, dat zal gebeuren, later, op de jongste dag. Ze kent de belofte. Maar Jezus laat het daar niet bij. Hij trekt haar hoop dichterbij. Niet door haar rouw weg te nemen, maar door haar hoop te verdiepen. “Ik ben de opstanding en het leven.”

Jezus wijst niet naar een moment in de toekomst, maar naar Zichzelf. Alsof Hij zegt: Marta, alles waar je op hoopt, alles wat je gelooft, staat nu voor je. Hoop is niet alleen iets voor later. Hoop heeft een gezicht, een stem, een aanwezigheid.

Dan stelt Jezus een vraag. Geen verklaring, geen oplossing, maar een vraag: ‘Geloof je dat?’ Het is geen toetsvraag en geen geloofscontrole. Het is een uitnodiging tot vertrouwen. Op dat moment is Marta’s situatie nog precies hetzelfde. Lazarus ligt nog in het graf. Het verdriet is er nog. Maar haar hoop krijgt een ander perspectief. Niet alleen in wat God ooit zal doen, maar in wie Jezus nu is.

Ik weet niet hoe jouw situatie is. Misschien leef je met rouw en gemis. Misschien voelt dit verhaal pijnlijk herkenbaar, of juist ver weg. Wat jouw situatie ook is: Jezus nodigt ook jou uit tot vertrouwen. Hij praat jouw pijn niet weg. Hij bagatelliseert je verdriet niet. Hij wil er voor je zijn. Niet pas later, niet pas wanneer alles is opgelost, maar nu. Als Degene die zegt: Ik ben de opstanding en het leven.

Wat een ontdekking op deze weg van hoop. Hoop die samen kan gaan met verdriet en gemis. Zoals het lied Hoop in leven en in dood (opwekking 857) het verwoordt:
Oh zing hallelujah!
Eén Hoop leeft voor eeuwig.
Oh zing hallelujah!
Jezus Christus, wordt verhoogd.
Hoop in leven en in dood!

Onze enige troost ligt niet in omstandigheden, maar in Wie wij toebehoren. Dat is de hoop die Jezus Marta voorhoudt. Op Hem mag ook onze hoop gevestigd zijn.