Ik ben er voor jou

Zondag 8 maart. We gaan een nieuwe week in met het thema: Ik ben er voor jou. We beginnen de week bij een waterput. Jezus openbaart zich als het levende water. Daarbij doorbreekt Hij grenzen en nodigt uit tot geloof.

Water is onmisbaar als je op reis bent. Zonder water is er geen leven. Dat voel je pas echt wanneer water niet vanzelfsprekend is.

Elke dag met een kruik naar een bron lopen is iets heel anders dan gewoon de kraan opendraaien, zoals wij dat gewend zijn. In het verhaal over de bron van Jakob lezen we dat de Schepper zelf het water laat opborrelen. Maar vandaag speelt er rond dat water meer dan alleen fysieke dorst.

We lezen Joh 4:1-15

1Toen Jezus hoorde dat aan de farizeeën verteld werd dat hij meer leerlingen maakte en er ook meer doopte dan Johannes 2– Jezus doopte overigens niet zelf, zijn leerlingen deden dat –, 3verliet hij Judea en ging weer naar Galilea. 4Daarvoor moest hij door Samaria heen. 5Zo kwam hij bij de Samaritaanse stad Sichar, dicht bij het stuk grond dat Jakob aan zijn zoon Jozef gegeven had, 6waar de Jakobsbron is. Jezus was vermoeid van de reis en ging bij de bron zitten; het was rond het middaguur. 7Toen kwam er een Samaritaanse vrouw water putten. Jezus zei tegen haar: ‘Geef mij wat te drinken.’ 8Zijn leerlingen waren namelijk naar de stad gegaan om eten te kopen. 9De vrouw antwoordde: ‘Hoe kunt u, als Jood, mij om drinken vragen? Ik ben immers een Samaritaanse!’ Joden gaan namelijk niet met Samaritanen om. 10Jezus zei tegen haar: ‘Als u wist wat God wil geven, en wie het is die u om water vraagt, zou u hém erom vragen en dan zou hij u levend water geven.’ 11‘Maar heer,’ zei de vrouw, ‘u hebt geen emmer, en de put is diep – waar wilt u dan levend water vandaan halen? 12U kunt toch niet meer dan Jakob, onze voorvader? Hij heeft ons die put gegeven en er zelf nog uit gedronken, en ook zijn zonen en zijn vee.’ 13‘Iedereen die dit water drinkt zal weer dorst krijgen,’ zei Jezus, 14‘maar wie het water drinkt dat ik hem geef, zal nooit meer dorst krijgen. Het water dat ik geef, zal in hem een bron worden waaruit water opwelt dat eeuwig leven geeft.’ 15‘Geef mij dat water, heer,’ zei de vrouw, ‘dan zal ik geen dorst meer hebben en hoef ik ook niet meer hierheen te komen om water te putten.’

Er zit een dorstige reiziger bij de bron, een joodse man. Hij vraagt een samaritaanse vrouw om water. Dat is in meerdere opzichten heel vreemd. Allereerst verschijnt de vrouw op een bijzonder tijdstip bij de bron. Daarnaast was het in die tijd niet gewoon dat een man een vreemde vrouw aanspreekt. En het was vrijwel ondenkbaar dat een Jood iets vraagt aan een Samaritaanse. Jezus doorbreekt hier doelbewust allerlei culturele barrières en vooroordelen.  

Wat volgt is een gesprek over water. Water dat ál je dorst lest. Het is water dat hoop geeft. En deze man heeft er alles mee te maken.

Wie is Hij?