Geef ons heden ons dagelijks brood

Vandaag is het 12 maart en dag 20 van de veertigdagentijd.

“Meneer, sorry dat we niet opletten in de les, maar we hebben vandaag nog niet gegeten”. Jan- Matthijs, verbonden aan Verre Naasten, weet nog goed de verontwaardiging die hij voelde, toen zijn Afrikaanse studenten met dit excuus kwamen.

Niet gegeten? Hoezo? De school had vanmorgen toch brood en koffie voor ze geregeld? Maar na wat doorvragen kwam de aap uit de mouw. Natuurlijk hadden de studenten wel wat in hun maag, maar voor hun gevoel hadden ze niet ècht gegeten. Ze hadden brood gekregen, maar een echte maaltijd was Nshima, of ‘foufou’. Deze dikke brei van maismeel of cassave is het dagelijkse eten in grote delen van Afrika. Brood, best lekker, maar dat was eten van elders, geen echte maaltijd. Een beetje hoe mijn grootouders tegen pasta aankeken: niet verkeerd, hoor, maar geen aardappels…

We lezen vandaag Johannes 6:33-35: ‘Het brood van God is het brood dat neerdaalt uit de hemel en dat leven geeft aan de wereld.’ ‘Geef ons altijd dat brood, Heer!’ zeiden ze toen. ‘Ik ben het brood dat leven geeft,’ zei Jezus.

In het Bijbelverhaal dat gisteren en vandaag onze aandacht heeft, gaat het over brood. Jezus doet een wonder door een enorme mensenmassa – misschien wel 20.000 man – van brood en vis te voorzien. En vervolgens ontspint zich een heel gesprek. Over wonderen, over Mozes, over het wonderbrood manna, over geloof en welke rol wonderen daarin spelen. Maar het begint bij brood.

Het is belangrijk om je te realiseren dat brood voor deze mensen precies hetzelfde is als foufou voor mijn studenten. Het dagelijkse eten dat je nodig hebt om te leven. Het is precies datgene waarvoor Jezus ons leert te bidden: geef ons vandaag het brood dat we nodig hebben. Tussen haakjes: misschien moet je dat gebed in andere delen van de wereld – waar ze foufou eten, of rijst, of yam – wel anders vertalen.

Brood heeft hier dus ook de betekenis van leven. Zonder brood ga je dood. Als we bidden: geef ons vandaag het brood dat we nodig hebben, dan vragen we God om leven. Wij zijn zwakke mensen, wij hebben eten nodig, en onderdak, beschutting, en adem en gezondheid. Dat vragen we van God: Vader, laat ons leven, we zijn zo kwetsbaar!

De Here Jezus geeft vervolgens daar weer een diepere betekenis aan. Leven is niet alleen ademen, biologisch bestaan, gezond zijn. Natuurlijk, zonder dat kunnen we niet. Daar begint het allemaal mee. Maar leven, ècht leven, is meer. Dat heeft te maken met je bestemming, dat is zijn zoals je bent bedoeld.

We voelen dat allemaal wel aan. ‘Dit is geen leven’ zeggen we als het leven zwaar is. Of juist andersom: ‘Dit is pas leven!’ wanneer we genieten van goede dingen. Diep van binnen zijn wij hunkerende wezens. Afhankelijk van eten en drinken, jazeker, maar ook op zoek naar geluk.

“Ik ben het levensbrood” zegt Jezus. Hij geeft dat leven. Biologisch leven, dat allereerst, zoals Hij die grote menigte mensen overvloedig te eten geeft. Maar ook leven dat zijn bestemming vindt, leven zoals God de Schepper het voor ons heeft bedoeld.

Laten we ons blijven verbazen dat Hij zegt: ik ben het levensbrood. Niet: ik heb voor jou dat brood, of: ik weet waar je dit brood kunt halen. Zo werken normaal gesproken religies en ideologie. Ze laten ons een weg zien, die je vervolgens zelf moet gaan. Maar zo werkt het bij Jezus niet. Hij is de weg. Hij maakt ècht leven mogelijk.  

Dit levensbrood eten wil dus ook niet zeggen: we moeten zelf op pad. Het is juist rusten in Jezus, je laten vinden door Hem.

Als je vandaag je boterhammetje smeert – of wat mij betreft je bakje yoghurt of quinoa pakt – sta dan even stil bij wat leven is, gewoon ademen, maar ook: vervulling vinden. En geef jezelf aan Hem, het brood dat leven geeft.