Een tijd lang heeft het volk Israël doorgebracht in de Sinaïwoestijn. Ze hebben wetten en leefregels van God ontvangen, God en het volk hebben een verbond gesloten, een tabernakel is vervaardigd en opgebouwd. Het is tijd geworden verder te trekken naar het hun beloofde land. Hoopvol op weg? ’Nadat ze bij de berg van HEER vandaan gegaan waren, lezen we in Numeri 10:33, trokken ze drie dagen verder. De ark van het verbond met de HEER ging voor hen uit om een rustplaats voor hen te zoeken.’ Maar drie dagen later begon het volk de HEER zijn nood te klagen. ‘Toen de HEER dit hoorde ontstak Hij in woede, en het vuur van HEER laaide op en greep om zich heen aan de rand van het kamp. Hoe kan dit toch, waarom klagen?, vraagt Wendy, verbonden aan LPB media, zich af.
Er zijn van die geluiden die altijd om je heen zijn. Zoals het gezoem van de koelkast in je huis. Of het ruisen van de snelweg op de plek waar ik woon. Zo’n vertrouwd geluid. Ik weet dat het er is, juist omdat het er altijd ís. Toch hoor ik het pas als het er niet meer is. Als de koelkast stopt met zoemen, als de snelweg op zondagochtend rustig is.
Ik moet daaraan denken als ik de tekst uit Numeri 10 en 11 lees. Israël heeft zóveel van God gezien en ervaren, dat vergeet je toch je leven niet meer? In alles is duidelijk dat God erbij is. In de ark, voorop. In de wolk, boven hen. Hij leidt en beschermt zijn volk onderweg.
Maar we zijn drie dagen verder en het volk begint te klagen. De verleiding komt dit keer van buitenaf. Een samenraapsel van vreemdelingen dat met hen meetrok (vs. 4) herinnert de mensen van God aan de rijkdom uit Egypte. Vlees, vis, groente en fruit – bij het oproepen van die herinnering stel ik me zo voor dat het water de mensen in de mond liep.
Hoe kan het toch, zo kort na alle indrukwekkende ervaringen, dat mensen de diepte van die ervaringen alweer kwijtraken? Dat ze in de werkelijkheid van het dagelijks bestaan het zicht op Gods zorg verliezen?
Als ik daarover nadenk is mijn eerste reactie vaak kritisch: ‘Ménsen, kom op nou! Jullie weten toch hoe het zit, jullie hebben God van zo dichtbij meegemaakt. Hoe kan je dat nou vergeten?’ Het raakt me dat Gods aanwezigheid voor deze mensen misschien wel net zo gewoon is geworden als de achtergrondgeluiden in mijn leven. Altijd daar, altijd aanwezig. Zo vertrouwd dat het niet meer opvalt.
En ineens voelt de afstand tot de tekst een stuk kleiner. Want hoe vaak gebeurt dit mijzelf niet? God is erbij in mijn leven, dat geloof ik. Niet altijd spectaculair, wel trouw en vol liefde. En toch leef ik regelmatig alsof dat niet zo is. Alsof Gods zorg geen vaste werkelijkheid is maar iets wat ik pas opmerk wanneer het lijkt te ontbreken. Als er vragen opkomen, moeilijke dingen gebeuren. Als ik me tekort gedaan voel door het leven, zoals de Israëlieten het vlees en de vis, de groenten en fruit uit Egypte misten.
We wennen aan nabijheid. Dat is heel menselijk. Het bijzondere wordt gewoon. Juist omdat het zo betrouwbaar is. En daarin zit, denk ik, hoop. Het betekent dat God niet alleen zichtbaar aanwezig is maar juist ook in de stilte, in de herhaling. In het zachte, constante gezoem van mijn bestaan.
Geloven is voor mij daarom kijken naar wat er is. Niet blijven wachten op meer zekerheid of meer gevoel maar op weg gaan met vertrouwen en moed. Leren vertrouwen dat wat zo vertrouwd klinkt, niet afwezig is – maar dichtbij. Begint daar geloven niet? Is geloven niet het moment dat je je realiseert: het geluid was er al die tijd al…
Podcast: Play in new window | Download