Deze dag, 19 maart en dag 26 van de veertigdagentijd, lezen we uit Johannes 9, de verzen 35-41.
35Jezus vroeg: ‘Gelooft u in de Mensenzoon?’ 36‘Als ik wist wie het was, heer, zou ik in Hem geloven,’ zei hij. 37‘U kijkt naar Hem en u spreekt met Hem,’ zei Jezus. 38Toen zei de man: ‘Ik geloof, Heer,’ en hij wierp zich voor Jezus neer. 39Jezus zei: ‘Ik ben in de wereld gekomen om het oordeel te vellen. Dan zullen zij die niet zien, zien en zij die zien, zullen blind worden.’ 40Een paar farizeeën die bij Hem stonden en dat hoorden, zeiden: ‘Wij zijn toch zeker niet blind!’ 41‘Was u maar blind,’ zei Jezus, ‘dan zou u zonder zonde zijn. Maar u beweert dat u kunt zien, en dus blijft uw zonde.Martha, verbonden aan LPBmedia, overdenkt…
‘Je hébt Mij al gezien.’ Al lezende in dit bijbelgedeelte dringt het opeens extra tot mij door. De blindgeborene kan weer zien, maar pas nádat hij doet wat Jezus hem opdraagt: zijn ogen wassen in het badhuis van Siloam. Hij ziet dus helemaal niet Wie hem geneest, want als hij terugkomt is Jezus alweer verdergelopen. Terwijl hij niet kon zien, zag hij toch. Werkelijk zien, het blijft een wonder. En het maakt nog weer eens duidelijk dat het niet om het wonder van deze genezing gaat, maar om Jezus zelf.
Geloven is het diepste zien.
Het is confronterend actueel hè, dit bijbelgedeelte. Iedereen lijkt vol te zijn van het eigen gelijk. Daar waar in het begin van dit verhaal deze blindgeborene door de mensen om hem heen langs de theologische lat wordt gelegd – ‘hij of zijn ouders zullen wel gezondigd hebben’ – komt Jezus voorbij en ziet Hij een mens waarin Hij Gods grootheid zichtbaar kan maken. Dat is wel iets om over na te denken… met welke ogen kijken wij naar onze medemensen? Met welke ogen kijken wij naar lijden, ziekte en genezing?
En hoe blind zijn we dan eigenlijk zelf? Leven we in het land der blinden? Zijn we ons daar bewust van? Of zijn we vaak ook, net als de Farizeeën, zo zeker van ons eigen zicht, onze eigen kijk op de dingen, dat we misschien niets meer écht zien?
Een meisje van 11 jaar was ik toen mijn broer van 19 jaar door een ongeluk om het leven kwam. Dat zijn gebeurtenissen die je vormen in meerdere opzichten. Als ik eraan terugdenk dan zie ik verdrietige mensen, huilende mensen, mensen met vragen, mensen met wanhoop en mensen met troost. Voorál zie ik mijn vader. Vóel ik mijn vader. Ik voel zijn geloof en vertrouwen en ik hoor hem getroost getuigen met de woorden uit Psalm 17 berijmd:
Maar, blij vooruitzicht, dat mij streelt,
Ik zal, ontwaakt, Uw lof ontvouwen,
U in gerechtigheid aanschouwen,
Verzadigd met Uw Godd’lijk beeld.
Dát draag ik dankbaar met mij mee, al zie en voel ik het ook zeker niet altijd. In alle duisternis IS er Licht.
Jezus is gekomen om het werk van zijn Vader in ons zichtbaar te maken. Het einddoel: dat we Hém zullen zien. Volledig. Onomhuld. Dát vooruitzicht om God te aanschouwen—zien zoals bedoeld. Niet alleen met onze ogen, maar met ons hart. En dat werkelijk zien, en werkelijk geloven, begint bij het ervaren dat je door Jezus gezien wórdt. Hij is niet gekomen om ons te beschamen in onze blindheid, maar om licht te brengen in onze duisternis, om ons aan te raken zoals die man bij het badwater van Siloam. Deze Jezus, Hij is de Koning in het land der blinden. Want waar Hij voorbijgaat, gaan blinden zien. Ook in deze veertigdagentijd. Blij vooruitzicht!
Podcast: Play in new window | Download